Een opperkeurmerk voor groene bedrijven, gaat dat werken?

Een opperkeurmerk voor groene bedrijven, gaat dat werken?

Hoe weet je of een product duurzaam is? Keurmerken zijn er te over. Zoveel zelfs, dat je door de bomen het bos niet meer ziet. Daarom ontwikkelde Het Nationaal Duurzaamheid Instituut een ‘opperkeurmerk’. Gaat dat werken?

Bij de naam Nationaal Duurzaamheid Instituut hoort misschien het beeld van een gerenommeerd bedrijf dat al jaren bestaat en huist in een statig pand aan een chique gracht. Maar in feite is Kelly Ruigrok pas sinds maart 2017 echt actief bezig met het bedrijf. Deze maand lanceerde ze met het NDI en een handvol partners twee systemen om de milieu-impact van producten te meten.

Mondiale metastandaard

“Bedrijven weten eigenlijk niet goed hoe ze hun milieu-impact inzichtelijk kunnen maken”, concludeerde Ruigrok na een rondgang. Er zijn tientallen, zo niet honderden keurmerken binnen verschillende sectoren en in verschillende landen. Door de bomen zie je het bos niet meer.

De oplossing: een metasysteem waarin alle keurmerken en labels gecombineerd en geanalyseerd worden, om aan het einde van de rit niet tientallen scores te hebben, maar vier.  Die nieuwe mondiale duurzame metastandaard heet Global Sustainable Enterprise System (GSES). Een opperkeurmerk.

Het GSES is gebaseerd op veelgebruikte internationale standaarden (voor de liefhebber: ISO High Level Structure en GRI). Bedrijven die meedoen, uploaden in het GSES de duurzaamheidscertificaten die ze al hebben. Daaruit rolt een beoordeling die berust op vier pijlers: CO2-uitstoot, circulaire economie, maatschappelijk verantwoord inkopen (MVI) en maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO). Ruigrok: “Op het ene vlak zullen ze beter scoren dan op het andere. Vervolgens kunnen ze zelf doelen stellen en kijken hoe ze die gaan bereiken.”

Daarna kunnen de bedrijven hun partners en bevoorraders uitnodigen hetzelfde te doen. “Op deze manier zetten we het ‘ketendenken’ in gang”, zegt Ruigrok. Onder andere Capgemini, Boskalis en Philips hebben zich inmiddels achter het project geschaard, net als zo’n negentig andere bedrijven, zowel binnen als buiten Nederland.

Circulaire voetafdruk

Een bedrijf kan behalve zijn organisatie ook zijn product laten beoordelen, met de Circular Product Footprint. Bedrijven moeten daarvoor invullen welke grondstoffen er in een product zitten, en waar die vandaan komen. Daar rolt een score uit, die aanduidt hoe circulair het product is. Een externe partij beoordeelt dat.

Tot nu toe heeft het Duurzaamheid Instituut de Circular Product Footprint getest op een handvol producten, waaronder een refurbished (opgeknapte) mri-scanner van Philips. Het apparaat scoorde 91 procent, dat wil zeggen dat de scanner voor 9 procent bestaat uit gloednieuwe materialen.

Philips noemt deze toets door het Duurzaamheid Instituut een pilot. “Deze nieuwe berekeningsmethode helpt ons om ons beleid verder te ontwikkelen. Maar uiteindelijk bepalen de klanten of deze informatie voor hen iets toevoegt”, zegt directeur duurzaamheid Eelco Smit. “Omdat duurzaamheid een integraal onderdeel is van onze strategie, weten we precies hoeveel gram koper, staal en kunststof in onze mri-scanners zit, waar dat vandaan komt en hoeveel daarvan is gerecycled.”

Philips heeft zijn data over duurzaamheid dus al paraat, maar dat geldt niet voor alle bedrijven. Zo wil Bayards, gespecialiseerd in het ontwerpen en produceren van complexe aluminium constructies, de circulariteit van een landingsplatform voor helikopters berekenen. Zo’n platform bestaat uit ongeveer 300.000 onderdelen. Die moeten stuk voor stuk worden ingevoerd om de Circular Product Footprint te kunnen berekenen.

Ruigrok geeft een kleinschaliger voorbeeld.  “Stel je ontwerpt een spijkerbroek. Als in de ontwerpfase uit de berekening blijkt dat er schaarse grondstoffen worden gebruikt, kun je kiezen voor een alternatief.” Kwaliteitsmanager Hans Kröder, verantwoordelijk voor de beoordelingsmechanismen achter het GSES-systeem, kan zijn enthousiasme maar moeilijk verbergen. “Je weet dan waar het probleem zit en je kunt het aanpakken.” Dat inzichtelijk maken is nu voor veel bedrijven het probleem, zegt hij. “Met dit systeem kan dat.”

Transparantie

Het klinkt als de heilige graal voor de circulaire economie. Maar: hoe weet je zeker dat bedrijven transparant zijn over de uitkomst? Welke bedrijven zijn nou honderd procent open over de samenstelling van hun producten? Dit laatste is bijvoorbeeld een probleem in het gevecht tegen de plastic soep. Fabrikanten van plastic verpakkingen zijn niet altijd transparant over de precieze samenstelling van het plastic dat zij gebruiken. Hierdoor zijn er veel verschillende soorten plastic op de markt, wat recyclen lastig maakt.

Unilever maakt bijvoorbeeld pas in 2020 openbaar welke plastics het gebruikt, om een opstapje te maken naar een ‘plastics protocol’ voor de gehele industrie.

Het is tekenend voor de schimmigheid en concurrentiegevoeligheid waar het GSES-systeem mee te maken heeft.

In tegenstelling tot Ruigrok, die pas een paar jaar bezig is, heeft Kröder veel ervaring met duurzaamheidsproblemen in het bedrijfsleven. “Een methode zoals die van ons bestond nog niet. In de praktijk zal moeten blijken of bedrijven echt zo transparant willen zijn. De eerste bedrijven die hiermee aan de slag gaan, doen het al goed, het zijn de koplopers.”

Volgens Kröder komt er een moment dat ieder bedrijf zeker wil weten dat het goed zit met de herkomst van – bijvoorbeeld – zijn palmolie.

Blockchain

Het Global Sustainable Enterprise System is inmiddels gelanceerd maar achter de schermen wordt er nog druk aan gewerkt. Zo is het de bedoeling dat het gaat draaien op blockchain. Dat is een grote database, een gezamenlijke boekhouding zonder derde partij die het geheel overziet en controleert, waar alle deelnemers eigenaar zijn van de gegevens. Iedereen heeft toegang tot een kopie, die bij wijzigingen meteen wordt aangepast. Gegevens verwijderen kan niet, een wijziging die niet klopt valt dus op. Zo kunnen deelnemers elkaar makkelijk controleren en is frauderen praktisch onmogelijk.

Maar die gegevens moeten wel kloppen, kwaliteitscontrole is nodig. “Hier zijn we nog mee bezig”, zegt Kröder. “We moeten nog bewijzen dat die controle waterdicht kan zijn.” Daarvoor wordt samengewerkt met SGS, een wereldwijde certificeringsinstantie. Kröder is bezig aan een handboek, waarmee controleurs zo objectief en onafhankelijk mogelijk de beoordeling kunnen doen.

Een manier om álle bedrijven, álle producten en álle keurmerken te toetsen? Het klinkt haast te mooi om waar te zijn. “Het zal misschien niet meteen perfect zijn, maar inmiddels doen 95 bedrijven mee uit allerlei sectoren”, zegt Kelly Ruigrok. “Zij nodigen hun leveranciers uit voor het platform en zo komt het ketendenken op gang. Dat is de bedoeling.” 

Bron: Trouw